Het eeuwige nu van de schilderkunst

Eric Rinckhout (2010)
A conversation with Jan Vanriet and curator Leen de Jong

Closing Time is een ambitieuze, complexe en unieke tentoonstelling.

‘Ambitieus’ alleen al wegens de schaal van de onderneming. In niet minder dan eenentwintig zalen vervlecht Jan Vanriet zijn eigen schilderijen met een ruime keuze uit de verzameling van het museum. In totaal gaat het om 325 werken: 150 uit de museumcollectie, 175 van de hand van Jan Vanriet. Een twintigste-eeuwse schilder gaat verschillende dialogen aan met werk van meesters uit de veertiende tot en met de twintigste eeuw. Vanriet put voor zijn eigen werk – bewust en onbewust – uit dat machtige beeldenreservoir van de traditie, de ‘vuilnisbak van de herinnering’, zoals hij het ooit noemde. Closing Time is meer dan een reeks gesprekken, het is een veelstemmig koor dat in de museumzalen opklinkt.

Het is een ‘complexe’ tentoonstelling omdat er meer dan één verhaal verteld wordt. Jan Vanriet toont werk van zichzelf dat hoofdzakelijk uit de laatste vijftien à twintig jaar dateert. Zeg maar zijn geëngageerde periode, hoewel er ook enkele oudere werken te zien zijn. De schilderijen van Vanriet zijn de rode draad in de expositie – of beter: ze zijn een streng rode draden, want Vanriets oeuvre vertoont weliswaar een eenheid maar is ook uitermate divers. ‘Hoeveel Jan Vanriets zijn er eigenlijk?’, vroeg Cees Nooteboom zich af.

Door dat werk te laten harmoniëren en dialogeren, maar ook te contrasteren en confronteren met oude en minder oude meesters komt *hun* werk in een ander daglicht te staan. Op hun beurt maken die oude meesters andere betekenislagen los in de schilderijen van Vanriet. Dialoog en dialectiek dus, in een tentoonstelling als caleidoscoop van thema’s, motieven, stijlen en kleuren.

Schilderkunstige echo’s klinken op, citaten leggen verbanden bloot over de eeuwen heen, kleuren botsen en vallen samen, oude thema’s blijken opvallend actueel te zijn. Enerzijds wordt Vanriet deel van een lange traditie, anderzijds blijken oude meesters opvallend actueel. Het publiek kijkt toe in het eeuwige nu van de schilderkunst.

En ten slotte is de expositie ‘uniek’. Hedendaagse kunstenaars wordt wel eens vaker gevraagd ‘iets’ te doen met een museumcollectie maar zelden krijgen ze de kans een museum helemaal naar hun hand te zetten. In Antwerpen heeft Vanriet zalen laten ontruimen en schilderijen op totaal andere plekken gehangen. Het leeuwendeel van de oude meesters bevindt zich niet meer op de vertrouwde eerste verdieping maar op de begane grond.

De gebruikelijke chronologische opstelling werd overboord gegooid. De kunstwerken hangen in àndere zalen met àndere verhoudingen in een àndere context en àndere belichting. In een hele reeks benedenzalen is er geen zenitaal daglicht dat uit de glazen koepels valt. Alleen al daarom zal er vaak ‘een ander licht schijnen’ op de oude meesters.

Dat andere licht zal ook vallen op de vele werken die Jan Vanriet samen met curator Leen de Jong uit de reserves heeft gehaald: die zijn zelden of nooit te zien en kunnen nu tijdelijk hun bestaan verantwoorden.

Doordat het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten begin 2011 de deuren sluit voor een ingrijpende renovatie, heeft Jan Vanriet vrij spel gekregen. Alleen in de Rubenszaal en de belendende zaal met de ensembles van Van Dyck en Jordaens konden schilderijen niet zomaar afgehaakt worden. De ingrepen zijn daar beperkt gehouden, maar zijn intens en evengoed verreikend.

Jan Vanriet heeft als schilder en als curator de schelp van het museum opengewrikt. “Het is geen overzicht van al mijn werk,” verduidelijkt Jan Vanriet. “Ik doe iets wat ik allang in gedachten had: mijn tentoonstellingen van de laatste vijftien jaar samenbrengen. Van die versnipperde verhaallijnen nu één rode draad maken. Misschien is het ongebruikelijk voor de beeldende kunst maar ik wil juist dat die literaire verhaallijn het cement is.”

“Als ik zou kiezen uit de voorbije veertig jaar, dan zit ik met mijn luchtige en relativerende beginperiode vol verwijzingen naar de Britse pop art. Door te focussen op het late werk worden de toon en het klimaat anders en is er ook meer coherentie vanwaaruit ik mijn werk gemakkelijker kan enten op de museumcollectie.”

Hoe zie je zelf die overkoepelende verhaallijn?

Vanriet: “Van onverschrokken jeugdigheid en Sturm und Drang ben ik geëvolueerd naar maatschappelijke problemen, geschiedenis, herinnering, reflectie... Het menselijk tekort, om een beladen term te gebruiken.

“Ik heb veel inspiratie gepuurd uit de figuur van Vladimir Majakovski (1893-1930, dichter uit de Sovjet-avantgarde; ER), maar die komt in de tentoonstelling relatief weinig aan bod. Majakovski is een figuur die te maken heeft met mijn lectuur. Ik heb hem ontdekt toen ik vijftien was. Dat Russische futurisme boeide mij. Maar ik was ook onder de indruk van zijn fysieke verschijning en zijn fantastische leven. Dat heb ik ook met Picasso. Door over Majakovski te lezen, merk je hoe politiek een rol in zijn leven begint te spelen en hoe hij slachtoffer wordt. Dat is het thema waar ik mee bezig ben.

“Ooit heb ik een periode gehad dat ik prachtige stillevens schilderde met appels, decoratieve textielstofjes en zo. Grote aquarellen, Dat had een zeker succes, maar ik ben daarmee opgehouden omdat het mij niet meer interesseerde. Ik was de luchtigheid kwijt en ik zou het vandaag ook niet meer kunnen. Ook technisch niet. Ik heb het niet meer in de vingers, die onbevangenheid.”

Je werk heeft sinds medio jaren tachtig een sociale en politieke dimensie gekregen. Je grijpt vaak terug naar het ontstaan van de Sovjet-Unie en je bent geïntrigeerd door ideologie en propaganda, ook van nazi-Duitsland. Telkens gaat het om samenlevingen die aan het gisten zijn, waar zich grote bewegingen voordoen.

Vanriet: “Het gaat om mensen die aspiraties hebben en geloven in idealen – of die goed of slecht zijn laat ik in het midden. Mensen zijn bereid om daar veel voor op te geven. Dat is fascinerend. Vandaag spreekt men vaak over de implosie van de ideologie...”

... terwijl jij teruggrijpt naar periodes waarin die grote ideologieën nog wel bestaan en ook leiden tot ontsporingen.

Vanriet: “Toch merk je dat mensen een houvast zoeken. Godsdiensten trekken aan, men zit met vragen die niet worden beantwoord. Of je krijgt warrigheid op je bord. Maar op een bepaald moment waren die ideologieën een maatschappelijk project en gaven ze richting, meestal helaas een marsrichting. Misschien keert het. Door de huidige crisis is sprake van de heropleving van het marxisme, zoekt men soelaas in extremen. Het is in elk geval een thema dat mij visueel veel aanreikt.”

Leen de Jong: “Toch heb je relatief weinig schilderijen over de Russische avantgarde opgenomen.”

Vanriet: “Het heeft ook te maken met het feit dat veel van die werken op papier zijn en dus fragieler. De museale normen qua belichting zijn erg strikt en hypothekeerden de opbouw van dit grote project. De collectie tekeningen van het museum verdraagt dat onverduisterde licht niet. We hebben die idee van een dialoog tussen werken op papier snel geschrapt.”

De Jong: “De selectie is inderdaad beïnvloed door de keuze van de werken uit de museumcollectie, een keuze die Jan en ik samen hebben gemaakt. Het is een wisselwerking tussen zijn werk en dat uit de collectie.”

Vanriet: “Je moet met een hele reeks factoren rekening houden. Ik had bijvoorbeeld een grootschalig portret van Majakovski in gedachten, waarvoor ik als klankbord binnen de collectie het Dubbelportret van Paul-Gustave Van Hecke en zijn vrouw Norine (van Frits Van den Berghe; ER) wou nemen. Maar dat werk bleek niet beschikbaar: het is op reis naar Japan, samen met zeventig andere topwerken uit het museum. Dan heb ik dus geen pendant. Maar ik beschouw dat niet als een verlies.”

De Jong: “Dat soort werk hangt ook altijd op zaal. Uitgerekend een van de aspecten van de tentoonstelling is de keuze voor minder voor de hand liggende werken. We hebben dagen aan een stuk in de reserves gezeten.”

Vanriet: “Ik heb laat geopteerd om op het einde een portret van Tatlin te brengen. Majakovski zelf duikt hier en daar, bijna terloops en haast anoniem op in de tentoonstelling. Hij is onder meer de man op het schilderijtje Nukkig en de man op zijn sterfbed in Dichterdood.

Jan, je beschouwt deze tentoonstelling als een afsluiting van het museum in zijn huidige vorm én misschien ook als afsluiting van het werk waar je nu mee bezig bent. Waarom?

Vanriet: “Ik denk vaak in periodes. De verkenningen van de laatste vijftien jaar houden nu op.”

Had je niet de bedoeling om na de reeksen over de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland iets soortgelijks te doen met de heksenjacht in de Verenigde Staten?

Vanriet: “Het algemene thema is de positie van kunstenaars tegenover de maatschappij. Het spel van machtsverhoudingen. Bijvoorbeeld in het elan van de revolte in de Sovjet-Unie of in het Derde Rijk met werken over cabaretartiesten en toneelacteurs die meeheulen met het regime of er slachtoffer van worden. Een derde fase zou de McCarthy-periode in Amerika kunnen zijn. Je moest toen niet eens communistische sympathieën hebben, een beetje links was voldoende om verdacht te zijn. Maar de reeks zou ook gaan over die linkse mensen in Europa, de ‘fellow travellers’ die plotseling met de neus op de feiten worden gedrukt: de destalinisatie, de Sovjets die Hongarije binnenvallen, ... Mensen die hun hele leven achter slogans hadden aangelopen, voelden zich bekocht en verraden. Ze waren ontredderd, hun moreel ijkpunt viel weg. Dat vond ik een interessant thema voor een slotreeks...”

Maar?

Vanriet: “Er is geen ‘maar’. Ik sluit dit niet uit, maar ik ben nu weer een andere richting ingewandeld. Het heeft niets met een gebrek aan beeldmateriaal of zo te maken, integendeel.

Je fascinatie voor de mens in periodes van grote veranderingen gaat verder in een reeks portretten van gedeporteerden.

Vanriet: “Het is ook een soort monument dat ik voor die mensen opricht. Ik wil dat ze herinnerd worden. Dat ze blijven. En ten derde, ik moet dat niet uit de weg gaan: het zit in mijn vingers. En er is het lijfelijke plezier van het schilderen zelf, verdwalen in verf en toetsen en dan proberen van verschillende richtingen uit te gaan, te verkennen.”

Verschillende stijlen?

Vanriet: “Je begint niet ‘onbezoedeld’ aan zo’n portret. Je zeult een hoop bagage mee. Als ik aan zo’n kopje bezig ben, flitst bijvoorbeeld ineens ‘Van Dongen’ door mijn hoofd. Waarom niet, denk ik dan. Komt er een soort strak blauw in dat portret. Na zwartwitte schilderijen, laat ik ook kleur erbij in soms extreme vorm. Het zou te gemakkelijk zijn om al die portretten te reproduceren met dezelfde afmetingen, toon op toon, allemaal eender grijs. Het Gerhard Richtersysteem. Hoeven we niet te herhalen. Dat dateert uit een bepaalde periode van de avantgarde van de twintigste eeuw en is ondertussen gemeengoed, een soort historische verworvenheid.

Het komt vaker in je werk voor dat achter een schilderij een gruwelijke geschiedenis schuilgaat en een lieflijk landschapje het uitroeiingskamp Mauthausen blijkt te zijn. Je koppelt vaak een beeld los van zijn beladen geschiedenis.

Vanriet: “Dat Mauthausenlandschapje was een truttig landschapje met alle clichés. Ik wou een dubbele bodem: het beeld dat niet conform was met zijn inhoud.”

De Jong: “Dat is typisch voor Jan: beelden die je op twee manieren kunt lezen. Je kijkt met andere ogen als je de achtergrond kent.”

Vanriet: : “Maar ik zou het nooit de titel *Mauthausen* geven. Dat is te nadrukkelijk. Steinbruch klinkt toch veel poëtischer.”

De Jong: “Het is doordat je in reeksen werkt dat de kijker de achtergrond en het verhaal meekrijgt.”

Vanriet: “Anderzijds vind ik niet dat iets pas interessant wordt als je weet waar het over gaat. Als je een schilderij vervelend vindt, wordt het niet beter omdat je de achtergrond kent.”

Neem nu je schilderij Brand. Dat is op zich al dreigend, zonder dat je als kijker weet dat het om een in brand gestoken synagoge gaat.

Vanriet: “Soms is mijn vertrekpunt voor dat soort schilderijen veel realistischer dan het eindresultaat. Terwijl ik eraan bezig ben, worden ze abstracter. Nadrukkelijkheid veroorzaakt een overdaad aan betekenis. Het mag niet drammerig worden, er moet een afstandelijkheid blijven. En een vervreemding, leerde me de oude Brecht.”

Je laat op die manier ook meer betekenissen toe.

Vanriet: “Ik gun het de toeschouwer om zelf zijn interpretatie te maken. Dat is soms verrassend. Men ziet soms zaken die ik er zelf niet heb ingelegd. Zoiets werkt leerzaam.”

Je schildert met de traditie in je achterhoofd. Hoe sta je tegenover de traditie?

Vanriet: “Ik ben geworteld in die traditie en put daar veel uit. Ik heb mijn kleine voorkeuren, maar soms zijn die niet in de tentoonstelling terechtgekomen omdat ik er in de context niets kon mee uitrichten. *Kill your darlings*. Zoals het *Portret van een jongetje* van Erasmus Quellinus, waar ik mee gedweept heb toen ik heel jong was. Ik heb er een stuntelig tekeningetje naar gemaakt toen ik twaalf was. Later, in mijn academietijd, was ik geïntrigeerd door de valschermspringers van Pyke Koch (Het Uur U). De grijzen, de onuitgesproken sfeer, het verhalende, ... Als ik dat doekje nu zie, ben ik ontgoocheld, ook in mijn toenmalige gevoelens. Nochtans heeft het ooit model gestaan voor een schilderij, ik heb er zelfs uit gepikt.

“Van Dongen heb ik gekozen uit respect en bewondering voor de schilder, misschien niet zozeer voor het schilderij (Monseigneur Gerassimos Messarra), hoewel ik vind dat het juist wel werkt in deze context. Van Dongen is soms een fantastische schilder, zijn manier van schilderen verleidt mij dan, die power. Ik merk meer en meer dat ik in de laatste reeks geïnspireerd wordt door kunstenaars uit de jaren twintig en dertig: Kirchner, Beckmann, Nolde. Misschien is dat momenteel wel de schilderkunst waar ik het meeste van houd. In de museumcollectie zijn het ook de schijnbaar eenvoudiger doeken die mij het meeste aanspreken.”

Wat is je band met het museum?

Vanriet: “Ik kwam als kind in het museum. De Ensorzaal met De intrede van Christus in Brussel was voor mij een van de hoogtepunten.”

De Jong: “Toen hing dat nog in confrontatie met Alechinsky’s De laatste dag. Dat werk is nu wat gehandicapt.”

Vanriet: “Daarom geven we de Alechinsky ook ruim plaats, als een bewuste hommage aan het museum van toen.”

De Jong: “Van Dongen hing toen ook op zaal. Nu vertoeft hij al tientallen jaren in de reserve, hij is ook een beetje een Fremdkörper.”

Vanriet: “Het museum was voor mij een van de eerste kennismakingen met de schilderkunst. Ik herinner me nog tentoonstellingen als Generatie van 1900: surrealisten, animisten(in 1966).”

De Jong: “En de grote retrospectieves: Gustave De Smet en Constant Permeke. Hoewel Jan daar toch weinig van heeft gekozen. Amper twee Permekes. Uit zo’n grote collectie!”

Vanriet: “Ik zei het daarnet: ik houd erg veel van het expressionisme, maar ik heb minder te maken met nukkige, gekromde boeren op het erf. Zaaiers. Maaiers. Bruin gesaust, schraal. Ik weet het, ik maak een karikatuur, maar toch, geef mij maar de uitdrukking van de flitsende stad, het broeierige burgerleven, de rusteloze dolende mens in een hels rood landschap. Ik heb minder te maken met grimmige personages op het platteland die zevenmijls naar de kerk stappen. Wat ik wel onaards mooi vind is die Vrouw van Spakenburg van Gustave De Smet. Dat is een complexe figuur.”

Is de tentoonstelling een confrontatie met de traditie of jouw plaatsbepaling tegenover andere schilders?

Vanriet: “Ik denk niet in die termen. Ik heb een aantal schilderijen en zij hebben een aantal schilderijen, misschien van een andere, hogere orde (lacht). De vraag is: hoe proberen we die met elkaar te verbinden. Welk verhaal wil of kan ik vertellen? Wat is het materiaal waarmee ik kan spelen: in mijn werk en in de museumcollectie? Ik voelde me niet bijzonder aangetrokken tot deze werken van de fantastische Frans Hals en de geweldige Rembrandt. Sorry. Toch hoop ik dat we goede ensembles hebben gecreëerd. De dominostenen vielen soms gemakkelijk.

“Maar ik vertrek niet van een confrontatie. Als ik zo zou denken, zou ik er niet aan begonnen zijn. Dat is een verloren slag. Als je ziet wat er hangt! Ik hoop dat de bezoeker het niet als een confrontatie zal ervaren, want dan staat mij het angstzweet in de handen.

“Hoe meer ik ermee bezig ben, hoe meer ik vind dat de schilderijen gebanaliseerd worden. Die meesterwerken begin je op den duur helemaal anders te zien. Met alle respect en liefde, maar na een tijd spring je er anders mee om. Ervaar je een soort gewenning.”

Ontheilig je de tempel der kunst?

Vanriet: “Het werk van drie- en soms zeshonderd jaar oud krijgt iets meer van een naturel. Neemt niet weg dat je met evenveel respect moet omgaan met een werk van Amédée Cortier (Groen/Zwart uit 1970) Mijn liefde voor een schilderij van Cortier is dan niet minder groot dan voor een De Smet of een Wouters.”

En Van Eyck en Messina?

Vanriet: “Daar noem je absolute uitschieters. Toppers. De Heilige Barbara en Madonna bij de fontein van Jan van Eyck zijn iconen. Fouquet hoort er ook bij. En Messina, Titiaan en Memlinc.

“Daarom vind ik dat je niet van een confrontatie mag spreken. *(haalt diep adem)* Dat is van een andere orde.”

De Jong: “Het gaat eerder om voorliefde voor bepaalde schilderijen, soms ook over picturale reminiscenties. Er is niet één soort keuze geweest, werken zijn gekozen om uiteenlopende redenen.”

Vanriet: “Zo zijn er ook werken waarmee ik me identificeer. De Mater Dolorosa met zeven smarten van Barend van Orley werkt op mij in. Ik kan dat niet duiden, maar dat roert mij zeer.”

Je haalt niet alleen het museum overhoop, je haalt ook veel onbekend werk naar boven.

De Jong: “Een zelfportret van ene Pieter de Mets uit 1914, bijvoorbeeld. We hebben de reserves intensief bekeken en zijn die telkens weer gaan bekijken in het licht van de tentoonstelling die zich verder ontwikkelde. Soms was er ergens een lacune en dan leverde ik een reeks prentjes aan waaruit Jan koos. Een werk van maanden.”

Vanriet: “Een van de uitgangspunten was toch om het huidige publiek, de jongere generaties, onbekende werken te tonen, noem dat een didactische invulling. Maar er was ook een praktische reden: werken uit het depot hebben soms iets in gang gezet. Dat kleine werkje van Gust De Smet Wit hemd op zwarte achtergrond vind ik een belangrijke ontdekking. Dat geeft een extra betekenis aan mijn reeks Vrouwen in het woud, creëert een aparte spanning en tilt de serie op.”

De Jong: “Ook voor mij zijn er nieuwe dingen te voorschijn gekomen. Dat sneeuwlandschapje van Meunier (Terugkeer van de scholier in de sneeuw) is een prachtig werk.”

Vanriet: “Net als die vier sublieme studies van De Braekeleer.”

Er zijn werken die reliëf krijgen, andere worden opgewaardeerd en bovendien schep je andere betekenisverbanden.

Vanriet: “Dat is het unieke van de tentoonstelling. We hebben het voorrecht om van nul te vertrekken, alles af te haken en de collectie in een totaal ander perspectief te bekijken. We kijken niet naar periodes maar mixen alle eeuwen. En ik ben de buitenstaander.”

Het is een ambitieus project.

De Jong: “Dit is nog nooit gebeurd. Jan Fabre heeft in 2006 voor Homo Faber museumzalen leeggehaald en is hier en daar de confrontatie aangegaan. Er zijn veel musea die aan kunstenaars vragen om ingrepen te doen. Maar ik ken geen voorbeeld van een museum dat een kunstenaar in zoveel zalen zijn gang laat gaan.”

Vanriet: “Meestal gaat het om vrij statische ingrepen. Tachtig à negentig procent van de permanente collectie blijft hangen, de rest is dan afhaakbaar. Maar hier is honderd procent afgehaakt. Behalve in de Rubenszaal, daar hebben we niet echt veel veranderd (lacht). Zelfs daar doen we boeiende ingrepen, zonder drastisch tewerk te gaan. De inbreng van enkele zwarte elementen in die overmacht van beweging, kleur en valse sentimenten, vind ik interessant.”

De Jong: “In de Jordaens- en Van Dyckzaal heeft Jan de, wat hij noemt, Cecil B. De Mille-schilderijen behouden: de werken die volop de lof van de contrareformatie zingen. Hij heeft daar zijn zogeheten doctrinaire werken tegenover gehangen.”

Vanriet: “De ene doctrine radicaal tegenover de andere. Zo hoort het.”

Jan, je hebt al eens gezegd: ‘Ik hoop dat ik hier niet op afgerekend ga worden.’

Vanriet: “Dat wordt veroorzaakt door de opvatting dat het om een confrontatie zou gaan. Misschien oogt het pretentieus om Eva, Zwarte Muts naast een portret van Memling te hangen. Als men dat wil vergelijken, ja, dan geef ik nu veel stof. Ik moet daar behoorlijk stoïcijns onder blijven.”

Eigenlijk laat je zien dat schilders al zeshonderd jaar met hetzelfde bezig zijn. Je haalt de oude meesters van hun voetstuk en maakt ze weer menselijk.

Vanriet: “ Klopt. Het antwoord zit in de tentoonstelling. Meer kan ik niet zeggen.”





More essays

arrow_insert