Landschappen van de Geschiedenis

Cees Nooteboom (2004)
Aantekeningen bij het werk van Jan Vanriet

Hoeveel Jan Vanriets zijn er eigenlijk? Je hoeft niet lang naar zijn schilderijen te kijken om op die vraag te komen. Kennelijk zijn er nogal wat schilders die zo heten. Hoe dat kan heeft Fernando Pessoa ons geleerd, die zichzelf over een aantal zeer verschillende dichters verdeelde, die hij allemaal een eigen naam gaf. Zo ver is Jan Vanriet niet gegaan, het zou misschien ook te ingewikkeld worden om steeds met verschillende namen te signeren maar de al dan niet bedoelde verwarring is er niet minder om.

De zo verschillende schilderijen en tekeningen van Vanriet, die allemaal met die ene, steeds dezelfde fysieke hand vervaardigd zijn, gaan van licht naar donker, van stil naar bewogen, van wereld naar eenzaamheid, van reële representatie van figuren naar droomgestaltes. Soms zijn het raadsels, dan weer statements of vermoedens, maar niet één is er zonder op zijn minst die ene waarschuwing: de wereld is niet zoals zij er uit ziet, alles kan elk ogenblik anders worden, wat je ziet is misschien niet wat je ziet, en het is niet zeker of wij, die nooit zeker weten wie wij zijn, wel in deze wereld passen. Kijk nog eens goed. Weet je wat je hebt gezien? Weet de hond zonder poten waar hij naar kijkt? Waarheen varen zulke fregatten? Is dit nu werkelijk de laatste sneeuw, deze verraderlijk veranderlijke, wellustige, in diepe kleuren van heimwee steeds bewegende verschuivingen die hun verhaal vertellen in een taal die we nooit echt geleerd hebben?

Nee, wie zich in deze beelden naar binnen waagt kan lang niet altijd zeker zijn van zijn zaak. Heeft hij wel licht genoeg bij zich? Weet hij hoelang de reis duurt? Heeft hij geen angst voor onbekende voorwerpen? Wie zijn die mensen in het woud? Zijn de dieren echt? Is dat donkere, geheimzinnige landschap daarginds misschien wel helemaal geen landschap?

Zijn dat drie mannen onderweg, of zijn het twee mannen die een ander meenemen? Waarheen gaat dat vluchtspoor? Mag er gelachen worden of breekt er dan ergens een heel fijn glas met onvoorzienbare consequenties?

Elke kunstenaar heeft zijn eigen verborgen arsenaal van beelden waar hij uit put, en dat ontoegankelijk is voor anderen tot het ogenblik dat het schilderij gemaakt is.Bloeiende tuinen met verborgen barakken.Spijkers met dodelijke punten.Tranen. Maar wat voor innerlijke beweging zich ook voordoet, niets staat helemaal los van de wereld. Vanriet woont niet op een eiland, hij zoekt de wereld op, hij weet van oorlog en vernietiging,diaspora, verdwijning, en noodlot. Hij ziet de vogels die wij allemaal zien, maar ook de vluchteling, de moord waar wij niet naar willen kijken. Hij wandelt tegelijkertijd in het bos van de wandelaar en in het woud van de geschiedenis, de verduisterde, meestal onzichtbaar geworden vertelling die onder alles ligt, een vreemd groeisel dat ons leven bepaalt en dat we niet kunnen meten. Hij ook niet, hij is niet van de feiten en de getallen omdat hij weet dat ze toch nooit de waarheid vertellen. Hij meet met andere maten,met de weegschaal van lot en noodlot,van de herinnering en de helderziende intuïtie, en wordt daardoor de seismograaf van het geheim, een instrument dat schrijft met de onrust die Schoonheid heet.

En toch, ook die schilder is maar één Vanriet. Soms stuurt hij er een van zijn anderen op uit om de wereld te verkennen, op zoek naar lucht, ironie, absurde genoegens, escapades naar een mensvormige dierenwereld waarin de dieren uit hun rol vallen, en dat soms letterlijk. Of de schilder verandert zich schaamteloos in een derde, primitievere of frivolere kunstenaar die vanuit een gekoesterd verdriet om alles lacht of eenvoudig zijn troost zoekt in een spel van vormen waarvan hij alleen de regels kent, landschappen waarin een vliesdunne lijn een zelfverzekerde geometrie laat wankelen of dansen, grotesken die op zoek zijn naar hun beschrijving, onderzoekingen in het memoriaal van de kleuren die niet altijd weten hoe ze heten, herkenbare en onherkenbare beelden die de kijker terugroepen als hij al voorbij is.

Dromen is een passief werkwoord, maar met een bedrieglijke ondertoon, omdat je iets doet: je droomt, terwijl er tegelijkertijd iets met je gebeurt: je hebt een droom. Je hebt er niet om gevraagd, je krijgt hem gewoon, of je wilt of niet. Hoe we onze dromen maken is nog steeds een raadsel, we weten niet hoe we de mensen vervaardigen die er in voorkomen, hoe we ze laten vliegen of sterven, hoe we de steden en landschappen gebouwd en aangelegd hebben waarin ze wonen en lopen.

Misschien dat alleen de schilder het weet. Hij weet dat hij droomt omdat hij, in tegenstelling tot ons, zijn dromen zelf maakt maar dan bij daglicht, in een bewuste, veeleisende luciditeit waaruit hij af en toe ontsnapt om het uit te kunnen houden. Hoeveel Vanriets er zijn weet ik niet, hij kent ze zelf misschien nog niet allemaal. Wie weet zal hij, zoals Pessoa, op een dag sommige van zijn anderen laten sterven, of de ene schilder het leven en de geheimen van de andere laten schilderen in het idioom van een vroeger of later tijdperk. Een van zijn vroegere tentoonstellingen heette Futures and Options, een term uit de financiële wereld die te maken heeft met speculatie, een gevecht in de spiegel van de toekomst. Er is dus nog van alles mogelijk.

Cees Nooteboom

More essays

arrow_insert